Lezing Maarten Asscher ALV november 2011

01-02-2012


Op veler verzoek, hierbij een passage uit de lezing 'Niet de tralies, maar de deur. Over gevangenschap en vrijheid van schrijvers' die Maarten Asscher gaf tijdens de ALV op 19 november 2011.


Voor meer informatie klikt u hier.

MAARTEN ASSCHER
Niet de tralies, maar de deur
OVER GEVANGENISLITERATUUR*


‘Imagination is an optimist'
Christopher Burney, Solitary Confinement


Voor de avond van de 27e november 1909 had Marcel Proust een tiental van zijn beste vrienden uitgenodigd om gezamenlijk naar een theatervoorstelling te gaan. Het ging om een nieuw blijspel van Georges Feydeau, getiteld Le Circuit. Voor zijn omvangrijke gezelschap had Proust maar liefst drie loges in het Parijse Théâtre des Variétés gereserveerd, en aansluitend soupeerde hij nog uitvoerig met zijn vrienden in restaurant Chez Larue op de Place de la Madeleine.
    Deze grootse aanpak van de avond werd niet zozeer ingegeven door het belang van de op het programma staande première. Eerder dan een literair-dramatisch meesterwerk is Le Circuit een vermakelijke zedenschets te noemen, gesitueerd in de wereld van de automobiel, de toen nog tamelijk nieuwe vinding die de standen dichter bij elkaar bracht, met alle amoureuze verwikkelingen van dien. Is het de rijke industrieel Rudebeuf die er met het nichtje van de garagehouder vandoor gaat, of blijft zij trouw aan de jonge automonteur Etienne? That is the question.
    Prousts gedachte achter deze als feestelijk bedoelde zaterdagavond was dan ook een geheel andere, al bleef die gedachte gedurende de avond zelf onuitgesproken. Bewust of onbewust was het zijn bedoeling deze datum als een historisch moment te markeren. Het moment, namelijk, waarop hij zich geheel zou terugtrekken uit de wereld en zich zou opsluiten om voortaan zijn volledige tijd, concentratie en talent te wijden aan het schrijven van wat zijn grote, allesomvattende roman À la recherche du temps perdu zou worden. Alles was in gereedheid gebracht voor deze ‘rite de passage', er was slechts een markering nodig tussen het verleden van gisteren en de toekomst die de volgende dag moest beginnen. De resterende dertien jaar van zijn leven zou Marcel Proust zich op opeenvolgende adressen terugtrekken in kamers waarvan de muren met kurk waren bekleed om het rumoer van de wereld buiten te sluiten. Een omgekeerd leven zou hij tegemoet gaan, waarvan de nachten werkdagen waren en de dagen zo niet slapend dan toch rustend, in solitaire schuwheid werden doorgebracht. De datum van de 27e november 1909, door de Franse Proust-kenner Alain Buisine niet voor niets met een 231 pagina's tellende monografie vereerd, vormde van die uittreding uit de wereld de symbolische drempel.1 Roland Barthes spreekt over dit moment in het leven van de schrijver als een ‘entrer dans un livre' (het ingaan tot een boek), een formulering met een Bijbelse weergalm.2
    Wie in het Parijse Musée Carnavalet de gereconstrueerde kleine slaap- annex werkkamer van Proust aanschouwt, gebaseerd op het adres Boulevard Hausmann nr. 102, zou zelfs nog een stapje verder kunnen gaan.3 Verder, bedoel ik, dan de vergelijking met het immers vrijwillig gekozen leven in een kloostercel. De vergelijking dient zich aan met een gevangenschap. De schrijver als gevangene van het werk waartoe hij is voorbestemd, het werk waar geen ontsnappen aan is. De tijd tot aan de voltooiing van het werk, die als een zelfopgelegde straf moet worden uitgediend, wat in het geval van Proust en zijn Recherche neerkwam op niets minder dan levenslang.
    Op het eerste gehoor klinkt een dergelijke vergelijking bizar en enigszins decadent, en toch is het de vraag - niet in juridisch, maar in literair opzicht - waar de zogenaamd ‘vrijwillige' opsluiting precies in verschilt van de onvrijwillige. En die vraag laat zich vervolgens omdraaien tot de vraag of er wel een normaal schrijverschap mogelijk is in omstandigheden van echte gevangenschap. Met andere woorden: wat valt er precies te verstaan onder gevangenisliteratuur en hoe moeten wij die lezen?


De tijdloze cel
In het navolgende wil ik proberen over die kwesties een paar, hopelijk verhelderende opmerkingen te maken. Ik ga daarbij vooral uit van de West-Europese literatuurgeschiedenis tussen grofweg 1800 en 1950. Zou ik die beperking in de tijd niet aanbrengen, dan zou ik uit de periode van de Middeleeuwen tot circa 1800 een onafzienbare stoet van de meest uiteenlopende auteurs en denkers, en ook schrijvende rovers en oplichters de revue moeten laten passeren, die in onderling soms zeer verschillende omstandigheden voor kortere of langere tijd vastzaten. En in de periode sinds 1950 doen in het moderne gevangeniswezen gaandeweg verschijnselen hun intrede als maatschappelijk werk, proefverlof, detentiebegeleiding en een in het algemeen grotere nadruk op welzijn en resocialisatie. Ook de geografische beperking laat zich rechtvaardigen. Buiten Europa is bijvoorbeeld alleen al de Amerikaanse gevangenisliteratuur, met haar traditie van negentiende-eeuwse ‘slave-narratives' en twintigste-eeuwse ‘death row'-getuigenissen een onuitputtelijke bron, die het verschijnsel gevangenisliteratuur nog verder zou laten uitdijen.4
Wie zich dan nader verdiept in die West-Europese gevangenisliteratuur vanaf de bestorming van de Bastille tot en met de Tweede Wereldoorlog, wordt getroffen door de terugkerende, universele thema's die erin naar voren komen, ongeacht de vraag of iemand nu in de jaren twintig van de negentiende eeuw in een Oostenrijkse kerker wegkwijnde, in het Victoriaanse Londen in de cel zat of tijdens de Tweede Wereldoorlog door de Gestapo gevangen werd gehouden. In die zin lijkt de gevangenisliteratuur zich enigszins te onttrekken aan de literatuurgeschiedenis zoals die zich buiten de gevangenispoort in vrijheid ontwikkelt. Dat heeft vermoedelijk te maken met de extreme materiële beperkingen en de geïsoleerde geestelijke conditionering die bij het schrijven in een gevangeniscel aan de orde zijn. Wie volledig teruggeworpen wordt op de basale menselijkheid van het dag na dag overleven komt vanzelf uit bij tijdloze vragen en tijdloze antwoorden.
Die thematische eenheid komt duidelijk naar voren in het publieke protest dat Oscar Wilde aantekende tegen de behandeling die hij als gevangene had ondergaan. Na zijn vrijlating in 1897 uit de gevangenis van Reading, waar hij het grootste deel van zijn straf had uitgezeten als gevolg van een veroordeling wegens ‘ernstige onzedelijkheden' (dat wil zeggen seksuele omgang met jongemannen), publiceerde hij een pleidooi voor hervorming op twee punten van het Victoriaanse strafsysteem. Die twee punten, uitgewerkt in een brief aan de Daily Chronicle van 24 maart 1898, hadden betrekking op het lichamelijk en het geestelijk leed dat de gevangenen onder het Engelse strafsysteem systematisch werd toegebracht.5 Het lichamelijk leed bestond volgens Wilde hoofdzakelijk uit 1) honger, 2) slapeloosheid en 3) ziekte. En het geestelijk lijden dat naar zijn idee eenvoudig verlicht zou kunnen worden, had te maken met de afwezigheid van behoorlijke lectuur in de gevangenis en met het ontbreken van voldoende mogelijkheden voor bezoek en ander menselijk contact.
Deze punten van kritiek hadden ook betrekking kunnen hebben op een gevangeniservaring uit het begin van de negentiende eeuw en zouden in essentie, althans in de meeste Europese landen, tot vlak na de Tweede Wereldoorlog tegen de heersende gevangenisomstandigheden hebben kunnen worden ingebracht. Met andere woorden: de condities in een Europese gevangenis tussen 1800 en 1950 zijn in de kern zodanig vergelijkbaar dat het verdedigbaar is de daarin opgedane menselijke ervaring en de eventuele literaire vruchten daarvan vergelijkenderwijs aan de orde te stellen. De Amerikaanse literatuurwetenschapper W.B. Carnochan spreekt in dit verband over ‘imaginative continuities' die de voorkeur verdienen boven ‘historical discontinuities'.6 Daar sluit ik mij graag bij aan.

NOTEN
1. Alain Buisine, Proust. Samedi 27 novembre 1909 (Paris, 1991).
2. Roland Barthes, La préparation du roman I et II. Cours et séminaires au Collège de France (1978-1979 et 1979-1980) (Paris, 2003), p. 283.
3. De kamer valt online te bekijken op http://carnavalet.paris.fr/fr/collections/chambre-de-marcel-proust. Proust woonde op dat adres van 1906 tot 1919.
4. Om een suggestief verband aan te brengen tussen deze twee soorten teksten spreekt John Edgar Wideman in zijn inleiding tot het boek Live from Death Row van Mamia Abu-Jamal (New York, 1995) over ‘death row'-getuigenissen als ‘neo-slave-narratives.'
5. Deze en een eerdere brief van Wilde aan de Daily Chronicle over de toestand in Engelse gevangenissen zijn niet alleen in de gepubliceerde correspondentie van Wilde opgenomen: Merlin Holland and Rupert Hart-Davis (ed.), The Complete Letters of Oscar Wilde (London, 2000), maar zijn ook in gangbare edities van Wildes verzameld werk als een aanhangsel bij De Profundis te vinden, zoals in Complete Works of Oscar Wilde (London, 2003).
6. W.B. Carnochan, ‘The Literature of Confinement' in The Oxford History of the Prison. The Practice of Punishment in Western Society (Oxford, 1998), pp. 381-406.

 « Terug